Meerlingen

Meerlingzwangerschappen zijn van alle tijden en culturen. Ze wekken al sinds de oudheid de bijzondere belangstelling van ouders, maatschappij en diverse professionele groepen, begaan met de ontwikkeling en opvoeding van kinderen. De mythologie getuigt hiervan met verhalen over figuren als Romulus en Remus; gebeurtenissen rond meerlingen halen ook vandaag gemakkelijk de media. Het toenemende gebruik van ovulatie-inducerende middelen bij de behandeling van verminderde vruchtbaarheid leidde tot een belangrijke toename van het aantal meerlingen. Meerlingen zijn nu alomtegenwoordig en de kans dat we privé of professioneel met meerlingen worden geconfronteerd, is groot.

Het opgroeien als meerling is niet noodzakelijk problematisch; toch worden de meerlingen zelf, hun ouders, leerkrachten, latere partners en de hulpverleners en adviseurs met wie ze in contact komen, in een uitzonderlijke situatie geplaatst. Specifieke vragen dienen zich aan, zoals de keuze tussen samen in de klas of opteren voor parallelklassen, of waarom tweelingen soms sterk uiteenlopende karaktertrekken hebben.

Dit artikel beschrijft een aantal algemene en specifieke psychopedagogische risicosituaties en verstrekt een aantal adviezen gericht op optimalisering van de individuele ontwikkeling. Voor een goed begrip van de meerlingenproblematiek en haar consequenties is grondig inzicht vereist in het ontstaan en het bestaan van de verschillende types meerlingen.

Meerlingen: veelheid in verscheidenheid

Typen tweelingen

Tweelingen vormen geen homogene groep. Twee-eiige of dizygote tweelingen ontstaan uit de bevruchting van twee verschillende eicellen door twee verschillende zaadcellen. Deze kinderen delen in termen van erfelijk materiaal evenveel als hun broers en zussen, kinderen van dezelfde biologische ouders, en zijn dus erfelijk verschillend. Eeneiige of monozygote tweelingen daarentegen ontstaan door de bevruchting van één eicel door één zaadcel, waarna splitsing optreedt. Hierbij zijn de twee helften genetisch identiek en vormen als het ware een kopie van elkaar. Monozygote tweelingen zijn dus per definitie van hetzelfde geslacht, terwijl dizygote tweelingen van hetzelfde of van verschillend geslacht kunnen zijn. Hetzelfde geldt, mits aanpassing, voor drielingen en andere meerlingen van hogere orde. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw schommelde de totale tweelingfrequentie tussen de 10 en 14 per 1000 geboorten in Vlaanderen en in Nederland en waren ongeveer 55 à 60% van de tweelingen twee-eiig. De laatste jaren is de totale tweelingfrequentie sterk gestegen, vooral door het gebruik van medicatie en medische interventie bij de behandeling van de infertiliteit. Ongeveer 50% van alle tweelingen en nagenoeg alle drielingen die nu in Vlaanderen worden geboren, zijn het gevolg van zo’n medische interventie. In Nederland – evenals in de meeste geïndustrialiseerde landen – is een vergelijkbare trend te zien, hoewel Vlaanderen koploper blijft! De overgrote meerderheid van de meerlingen, die geboren worden na medische interventie, zijn meereiig. Daardoor zijn thans in Vlaanderen ongeveer 75% van de nieuwgeboren tweelingen en 95% van de nieuwgeboren drielingen meereiig. Bij spontane drielingen daarentegen is ongeveer 25% eeneiig, 50% twee-eiig en 25% drie-eiig. De frequentie van spontane drielinggeboorten is ongeveer 1 op de 10.000. Natuurlijke meerlingen van hogere orde (vier-, vijflingen…) zijn buitengewoon zeldzaam.

Ontstaan

Dizygote tweelingen kunnen alleen ontstaan na een dubbele eisprong. We kennen vijf factoren die hiertoe bijdragen, namelijk: ras, erfelijkheid, leeftijd, pariteit, en ten slotte artificiële inductie van de ovulatie (medicatie). Zo hebben zwarten twee tot vier maal meer dizygote tweelingen dan blanken. Ook erfelijkheid speelt een belangrijke rol. Het gen dat voorbeschikt tot het hebben van een dizygote tweeling, kan zowel langs vaders- als langs moederszijde worden overgeërfd, maar de vader kan het niet tot uitdrukking brengen; hij kan het kenmerk echter wel aan zijn kinderen overdragen. Als een vrouw het kenmerk draagt, heeft zij bij iedere zwangerschap één kans op de tien om te bevallen van een twee-eiige tweeling, hetgeen twintig maal meer is dan de kans in de algemene bevolking. Leeftijd en pariteit beïnvloeden onafhankelijk van elkaar de kans op dizygote tweelingen. Het risico van meerlingzwangerschap na ovulatie-inductie is hoog en bedraagt globaal ongeveer 10%. De oorzaak van de deling van de bevruchte eicel bij monozygote tweelingen is niet bekend. De huidige onderzoeksgegevens suggereren dat de vier eerst vermelde factoren geen invloed hebben op de frequentie van monozygote tweelingen. Onlangs heeft een studie van het Oost-Vlaamse Meerlingenregister aangetoond dat toediening van eisprongstimulerende middelen de splitsingsfrequentie van de zygote lichtjes verhoogt.

Zygositeitsbepaling

Correcte bepaling van de zygositeit kan niet altijd op grond van een oppervlakkige analyse van uiterlijke overeenkomsten of verschillen. Meestal is het wel zo dat eeneiige tweelingen op elkaar gelijken als twee druppels water en dat twee-eiige tweelingen uiterlijk verschillend zijn, zoals broers en zussen. Maar dat is niet altijd het geval! Hiermee is meteen een populaire opvatting doorgeprikt, waarbij men ten onrechte aanneemt dat alle eeneiige tweelingen erg op elkaar moeten gelijken (vb. qua uiterlijk, karakter, interesses etc.). Eeneiige tweelingen bijvoorbeeld, kunnen niettegenstaande hun identieke genetische basis een verschillend fenotype (= observeerbare verschijningsvorm) vertonen ten gevolge van differentiële interactie met hun omgeving.

Ideaal gebeurt de zygositeitsbepaling van de meerling bij de geboorte aan de hand van de placenta of moederkoek. Dat laat toe om de eeneiige tweelingen in te delen naar gelang het tijdstip van de splitsing van het bevruchte ei (vroeg, intermediair of laat). Bij de geboorte wordt elk kind omringd door een vruchtzak, die bestaat uit een buitenste laag (chorionvlies) en een binnenste laag (het amnionvlies). Alle twee-eiige tweelingen en de eeneiige tweelingen die het gevolg zijn van een vroegtijdige splitsing van het bevruchte ei, worden geboren in twee verschillende vruchtzakken: men spreekt van een dichoriale tweeling. Is het buitenste chorionvlies gemeenschappelijk, dan is de tweeling eeneiig en het gevolg van een latere splitsing van het bevruchte ei (na de derde dag): men spreekt van een monochoriale tweeling. Zodra de moederkoek weg is, kan deze informatie nooit meer achterhaald worden. Alle ongelijkslachtige tweelingen zijn dizygoot. Is de moederkoek monochoriaal, dan is de tweeling monozygoot (twee derde van alle monozygote tweelingen). Is de tweeling van gelijk geslacht en dichoriaal, of is de tweeling van gelijk geslacht en werd de moederkoek bij de geboorte niet onderzocht, dan moet men genetische merkers (bloedgroepen en/of DNA-vingerafdrukken) onderzoeken om tot een zekerheidsdiagnose te komen. Zijn deze genetische merkers verschillend, dan is de tweeling dizygoot. Zijn de genetische merkers en het geslacht gelijk, dan is de tweeling (vermoedelijk) monozygoot. Een probabiliteit van monozygotie moet berekend worden: die geeft de kans aan dat de tweeling monozygoot is. Hoe meer genetische merkers er gelijk zijn, hoe groter deze kans. Als bijvoorbeeld de DNA-vingerafdrukken van een tweeling gelijk zijn, dan is zijn probabiliteit van monozygotie 99.9%. Het onderzoeken van genetische merkers is tamelijk duur.

Correcte kennis van de zygositeit van de tweelingen is van groot belang voor de meerlingen zelf, voor hun omgeving en voor advies- en hulpverleners. De ‘Declaration of Rights and Statement of Needs of Twins and Higher Order Multiples’ (1998) stipuleert expliciet het recht van ouders en tweelingen om hun zygositeit te kennen. Alle tweelingen, zowel mono- als dizygote tweelingen, hebben een verschillend fenotype. Monozygote tweelingen hebben een zelfde genotype, maar kunnen toch voor een aantal karakteristieken die vatbaar zijn voor differentiële omgevingsinvloeden, van elkaar verschillen. Dizygote tweelingen delen, net zoals hun biologische broers en zussen, evenveel erfelijk materiaal en kunnen bijgevolg even grote verschillen vertonen als observeerbaar bij andere kinderen in hetzelfde gezin. Gegeven hun identieke oorsprong, vertonen monozygote tweelingen een grotere overeenkomst dan dizygote tweelingen op kenmerken die een genetische basis hebben. Ouders doen er goed aan om de omgeving van de meerlingkinderen (familieleden, leerkrachten) de zygositeit en de implicaties hiervan mee te delen. Familieleden en grootouders bijvoorbeeld zijn dikwijls geneigd om de gelijkenissen tussen de tweelingen te sterk te beklemtonen en eventuele verschillen te negeren. Ook het omgekeerde doet zich voor; soms worden verschillen tussen de kinderen beklemtoond en uitvergroot. Beide processen doen echter afbreuk aan het recht van de kinderen om zich te ontwikkelen tot volwaardige zelfstandig functionerende individuen met eigen ideeën, interesses, en vooral een eigen toekomst.

Bijzondere aandacht verdienen de monozygote tweelingen. Het is belangrijk de kinderen te helpen ontdekken dat ze, ondanks hun grote verbondenheid en in veel gevallen sterke gelijkenis, toch twee afzonderlijke mensen zijn. Een tweeling is niet één persoon in twee gedaanten, het zijn twee afzonderlijke personen met verschillende wensen en capaciteiten die zich geleidelijk aan verschillend ontwikkelen.

Ontwikkeling, opvoeding en risicosituaties

Zwangerschap en geboorte

Wanneer ouders vernemen dat ze meerlingen mogen verwachten, lokt dat steeds een psychologische schok uit. Eerst wordt het nieuws op ongeloof en ontkenning onthaald, maar de verwerking gebeurt doorgaans vlug en leidt reeds tot herstel van psychisch evenwicht na enkele weken. Wanneer ouders gemeld wordt dat ze drie of meer kinderen verwachten, kan de verwerking een langere periode vergen. Veelal hebben de ouders aanvankelijk gemengde gevoelens tegenover de meerlingenzwangerschap. Enerzijds zijn ze erg trots op het unieke gebeuren, anderzijds maken ze zich extra zorgen omtrent het verloop van de zwangerschap, bevalling, en de implicaties voor het gezin en zijn financiële situatie. Deze ambivalentie en ongerustheid kan versterkt worden doorgemaakt door moeders die ovulatie-inducerende behandelingen achter de rug hebben. Nu ze zwanger zijn, en dan nog wel van twee kinderen, mag er zeker niets mislopen. De meerlingzwangerschap met extra risico’s baart deze groep bijkomende zorgen.

Er is in de eerste plaats een belangrijke taak weggelegd voor de medicus om de ouders adequaat te informeren over de meerlingenzwangerschap, de nakende bevalling en de risico’s voor congenitale pathologie en prematuriteit. De drie voornaamste verwikkelingen bij meerlingzwangerschappen zijn vroeggeboorte, liggingsafwijkingen en perinatale mortaliteit. De gemiddelde zwangerschapsduur bedraagt 37 weken bij tweelingen, 34 weken bij drielingen en 31 weken of minder bij vierlingen. Die kortere zwangerschapsperiodes zijn de oorzaak van het zeer lage geboortegewicht bij meerlingen. De frequentie van stuit- en dwarsliggingen is hoog, met een groot aantal abdominale verlossingen (sectio caesarea) tot gevolg: 30% bij tweelingen, en meer dan 50% bij de meerlingen van hogere orde. De perinatale mortaliteit bij meerlingen is sterk verhoogd in vergelijking met die bij de éénlingen. Volgens cijfers van het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie, gepubliceerd in 1995, bedroeg het sterftecijfer 7,1 per duizend bij eenlingen, 30,4 per duizend bij tweelingen en 63,7 per duizend bij drielingen. Ouders worden best vooraf ingelicht over deze risico’s. Samengevat is er een verhoogde kans dat de moeder niet natuurlijk bevalt, dat de kinderen soms prematuur zijn en een tijdje in de couveuse moeten doorbrengen en tenslotte dat er een verhoogd risico is op mortaliteit en morbiditeit.

De arts informeert de moeder over de te anticiperen arbeid en bevalling. De moeder meent vaak dat de arbeid bijzonder lang zal duren en pijnlijk zal zijn. Voor de moeder is het verder van groot belang te kunnen inschatten wat de kansen zijn van actieve participatie bij de bevalling. Het is ook nodig haar vooraf te informeren dat een vrij grote staf betrokken is bij een meerlingbevalling, zodat ze zich niet onnodig ongerust maakt wanneer heel wat witte en groene jassen opduiken tijdens de bevalling.
Ouders moeten tijdens de zwangerschap gestimuleerd worden om de komst van de meerling concreet voor te bereiden. De moeder is dikwijls gebaat bij uitwisselingen met andere moeders die reeds een meerling hebben. Behalve steun en nuttige tips biedt zo ’n contact de aanstaande moeder een beeld van de reële werklast verbonden aan de opvoeding van meerlingen. Aan het eind van dit hoofdstuk staan een aantal verenigingen van meerlingen in Vlaanderen en Nederland vermeld die informatieavonden organiseren voor (aanstaande) ouders van meerlingen of waar ouders met vragen terechtkunnen. In elk geval moet uitgekeken worden naar initiële hulp voor de moeder en het gezin, zeker wanneer er reeds andere kinderen in het gezin aanwezig zijn. In veel gevallen bevalt de moeder met een keizersnede of verblijven de kinderen een tijdlang in de couveuse. Zeker in het geval één kindje thuis is en een ander nog in de couveuse ligt, vormt dat een zware belasting voor de moeder. Extra hulp thuis stelt de moeder in de gelegenheid om het achtergebleven kind regelmatig te bezoeken. Dat is van groot belang bij de verwerking van schuldgevoelens of de preventie van de ontwikkeling van een afstootattitude.

De opvang van de meerling bespreekt men het best op voorhand met de directe omgeving van het gezin. Broertjes en zusjes worden op de hoogte gesteld en ook de omgeving (grootouders, familie en buren) wordt tijdig ingelicht. De omgeving stelt zich dikwijls ambivalent op, waarbij de ouders tegelijk benijd en beklaagd worden. Sensibilisering en mobilisering van dit netwerk kan na de bevalling nodig blijken om de ouders wat te helpen. Buren of familie kunnen bijvoorbeeld een dagje of een nachtje voor de kinderen zorgen, zodat de ouders ook eens kunnen genieten van een etentje of van een ononderbroken nachtrust.

Eerste levensjaren

In de praktijk streeft men ernaar om de moeder en haar meerlingen samen te laten thuiskomen. Het gezin moet geholpen te worden door een concrete organisatie van de geboden hulp; vooral het blijvende karakter van deze ondersteuning biedt vaak problemen.
De jonge kinderen hebben vaak een verschillend eet- en slaappatroon, wat de moeder dikwijls overrompelt. Men raadt veelal aan de voeding steeds in dezelfde volgorde te geven, een kind leert immers gauw dat het moet wachten tot het zijn/haar beurt is. Een goede organisatie van de dag (bv. hulp voor boodschappen en algemene huishoudelijke klussen), maar ook van de nacht is geboden. De instelling van een beurtrol tussen de ouders voor de nachten is wenselijk. De ouders waken er over dat ze eventuele andere kinderen binnen het gezin voldoende aandacht geven. Hier is in de eerste plaats een taak voor de vader weggelegd, maar ook de moeder moet regelmatig exclusief aandacht kunnen geven aan haar andere kinderen. Wanneer de kinderen enkele jaren ouder zijn dan de meerling, kunnen ze actief worden betrokken bij verzorging en spel.
De moeder heeft vaak minder hulp dan aanvankelijk verwacht en beloofd werd, en heeft angst om haar kinderen te weinig te bieden. Ze is dikwijls zo in beslag genomen door de praktische kant van de verzorging, dat er weinig tijd overblijft voor spel en prettig samenzijn. Oververmoeidheid bedreigt de moeder en dikwijls voelt ze zich sociaal geïsoleerd. Soms worden psychopathologische klachten zoals angst, depressie, agressie, psychosomatiek, echtelijke problemen of opvoedingsmoeilijkheden met andere kinderen in het gezin gemeld. Het optreden van deze klachten wijst erop dat het gezin geen evenwicht vindt, waarbij professionele hulp is geboden.
Meerlingen brengen in deze fase het grootste deel van de tijd samen door. Parallel met hun sensorische en psychomotorische ontwikkeling worden ze zich na een zestal maanden bewust van de andere(n). Op zich is het goed dat de kinderen veel contact met elkaar hebben, maar voor hun bredere sociaal-emotionele ontwikkeling en de ontwikkeling van de taal is contact met de ouders en andere kinderen binnen en buiten het gezin noodzakelijk.

Kleuterleeftijd

Hoewel verbonden door hun meerlingrelatie, moeten de kinderen uitgroeien tot zelfstandig functionerende individuen. Daarom is het noodzakelijk dat de ouders met elk kind een afzonderlijke relatie als individu ontwikkelen. Hun communicatie binnen het gezin, maar ook met de buitenwereld, getuigt van dit streven naar individualiteit. Ze noemen de kinderen bij naam en spreken niet van ‘de tweeling’. Ze maken hun omgeving attent op dit streven en vragen aandacht voor de individuele eigenschappen van elk kind. Op die manier vermijdt men bijvoorbeeld dat familieleden of vrienden dezelfde of nagenoeg identieke (andere kleur) geschenkjes meebrengen naar het oudejaarsfeest, of nog vervelender een ‘combinatiegeschenk’ voor ‘de’ tweeling. Meerlingen ontvangen graag elk een geschenk of een verjaardagskaartje, in plaats van slechts één kaartje voor beiden. Dit streven naar individualiteit -dat sterk aanwezig is in onze maatschappij- wordt op alle fronten doorgetrokken. De kinderen moeten elk afzonderlijk een plaats krijgen in het gezin, formeel en materieel bekrachtigd via verschillende kleding, eigen speelgoed en indien mogelijk een eigen kamer.

De kleuterschool vormt dikwijls, na de onthaalmoeder of het dagverblijf, het eerste extrafamiliale milieu waarin de meerlingkinderen na hun geboorte vertoeven. Dat milieu biedt unieke kansen om de kinderen te stimuleren in hun unieke ontwikkelingstrajecten. Uit praktische overwegingen en vanuit emotioneel oogpunt zitten de meerlingen dikwijls samen in de kleuterklas. Ze genieten van elkaars aanwezigheid en men gaat ze pas in parallelklasjes plaatsen als hun samenzijn aanleiding geeft tot problemen. Er zijn geen echt dwingende redenen om op deze leeftijd te opteren voor opvoeding in parallelklasjes. Het verdient aanbeveling om de kleuterleid(st)er in te lichten over de zygositeit van de kinderen en de implicaties hiervan. Soms bestaan er van bij de geboorte grote ontwikkelingsverschillen tussen de tweelingen die nog duidelijk observeerbaar zijn bij hun komst in de kleuterklas. Begeleiders en kleuterleid(st)er hoeden zich in deze gevallen voor vergelijking tussen de meerlingen en nemen de meer ontwikkelde meerling niet als referentiepunt voor de andere.

Lager en secundair onderwijs

Een terugkerende vraag bij ouders en schoolverantwoordelijken is of men meerlingen hun lager onderwijs samen of in afzonderlijke klasjes laat lopen. De meeste scholen hebben parallelklasjes, zodat de laatste maatregel ook praktisch uitvoerbaar is. Men kan opteren voor één van beide mogelijkheden, afhankelijk van de voorkeur van de ouders en de tweelingen zelf. Pas wanneer hun samenzijn in de klas als storend wordt ervaren of wanneer er tussen de meerlingen een grote competitie is, moet men kiezen voor gescheiden opvoeding. De klasgroep ontwikkelt zich tot een belangrijke referentiegroep voor de kinderen, en helpt hen om nieuwe referentiekaders op te bouwen buiten de meerlingrelatie. Met het opgroeien ontwikkelen zich geleidelijk aan eigen en deels overlappende vriendenkringen, waarmee individueel activiteiten worden gedaan. De meerlingen moeten gestimuleerd worden om eigen interesses en sport- en spelactiviteiten te ontwikkelen. Al te vaak worden ze geremd in de ontplooiing van een activiteit omdat de co-twin minder interesse hiervoor betoont. Als een van de meerlingen bijvoorbeeld graag op kamp wil met de jeugdbeweging maar de co-twin niet, dan kan dit geen beletsel zijn om het kind te laten deelnemen.

Voor de uitbouw van de schoolloopbaan in het secundair onderwijs kiest men het programma dat het best aansluit bij de capaciteiten, vaardigheden en interesses van elk kind. Centra voor Leerlingenbegeleiding kunnen de kinderen en de ouders begeleiden bij hun keuze. Hierbij kan het nodig zijn om uit te kijken naar verschillende scholen. Beslissingen omtrent het studieprogramma dat de jongeren zullen volgen, mogen nooit ingegeven worden op basis van argumenten die refereren aan de tweelingrelatie.
Meerlingen samen in de klas vraagt speciale aandacht van de leerkracht. Hij zal zich hoeden voor expliciete en impliciete vergelijkingen tussen de meerlingen. De vergelijking kan dubbel en tegengesteld zijn. In sommige gevallen worden reële verschillen uitvergroot, terwijl in andere gevallen en voor andere kenmerken verschillen worden genegeerd. Dikwijls gebeurt dit subtiel. Een door de ene tweeling foutief beantwoorde vraag wordt soms opnieuw gesteld aan de co-twin. Voor de vergelijking van schoolresultaten worden de meerlingen dikwijls als elkaars referentiepunt genomen, wat ongezonde competitie kan aanwakkeren. Soms is het voor de leerkracht ook moeilijk om te observeren wat de individuele prestaties zijn van de meerlingen. Voor huiswerk en bij het instuderen van lessen werken ze veelal intensief samen, zodat individuele problemen soms lang gemaskeerd blijven. Leerkrachten zijn er waakzaam voor dat hun samenzijn in de klas hun groepsintegratie niet hindert. Wanneer ze in de klas een machtspositie ofwel een solitaire positie gaan innemen, moet men overwegen om ze in parallelklassen te plaatsen.
Voor meerlingen van hogere orde is het niet steeds mogelijk om de kinderen in de lagere school in parallelklassen te plaatsen wanneer men dat wenselijk of noodzakelijk acht. Veelal zijn er slechts twee parallelklasjes. Weinig leerkrachten zijn verder geneigd om drie (of meer) kinderen uit hetzelfde gezin in de klas te nemen. In deze gevallen wisselt men elk jaar in overleg met de school en de kinderen de verdeling over de beschikbare parallelklasjes.

Volwassenheid

Tijdens de adolescentie en de jongvolwassenheid moet een duidelijke differentiatie en losmaking van de meerlingrelatie optreden. De meerlingen moeten zich voorbereiden op een individuele toekomst, waarin ze een eigen sociale, familiale en professionele identiteit moeten opbouwen. Het engagement in een partnerrelatie luidt de definitieve overstap in van de tweelingrelatie naar een nieuwe relatievorm.

Algemene risicosituaties in de ontwikkeling

De ontwikkeling van meerlingen is niet noodzakelijk problematisch. Toch zijn meerlingen in een uitzonderingssituatie geplaatst die een aantal risicosituaties inhoudt.
Verschillende studies tonen aan dat de taalontwikkeling van tweelingen vertraagd op gang komt. Meerlingen vertonen soms een tijdelijke cryptofasie, een eigen taal die onbegrijpelijk is voor anderen. Dit fenomeen wijkt doorgaans spontaan onder invloed van contacten met volwassenen en anderen. Op de leeftijd van 4 à 5 jaar vertonen de meeste meerlingen een zestal maanden achterstand in hun taalontwikkeling, waarbij vrijwel alle neurolinguïstische elementen zijn betrokken. Rond de leeftijd van 7 à 9 jaar is de achterstand veelal niet meer psychosociaal relevant en dikwijls selectief op bepaalde taalaspecten zoals spontane taal en de actieve woordenschat. Een duidelijke achterstand in de taalontwikkeling op deze leeftijd vraagt echter bijkomend onderzoek en professionele hulp.

Studies tonen een wat vertraagde intellectuele ontwikkeling tegenover de eenlingenpopulatie, die na enkele jaren lager onderwijs meestal verdwijnt. Aandachtstekorten worden frequent geobserveerd; die berusten waarschijnlijk op mogelijke perinatale problematiek of differentiële opvoedingseffecten. Deze tekorten kunnen bij een of beide tweelingen worden geobserveerd en moeten geobjectiveerd worden in neuropsychologisch onderzoek bij vermoeden van ernstige problemen. Leerkrachten zijn goede informatiebronnen voor de signalering van dit soort problemen omdat ze een rijke ervaring hebben met het observeren van individuele verschillen tussen kinderen.

Voor alle eigenschappen die een substantiële erfelijke basis hebben, geldt per definitie dat monozygote tweelingen meer overeenstemmen dan dizygote tweelingen. Intelligentie en persoonlijkheidstrekken zijn voorbeelden van kenmerken met een belangrijke genetische component. Voor intelligentie wordt de bijdrage van de erfelijkheid geschat op ten minste 50 à 60%. Voor de Big Five-persoonlijkheidstrekken wordt de genetische contributie geschat op 40 tot 60%, afhankelijk van de bestudeerde trek en de gebruikte vragenlijst. De Big Five-persoonlijkheidstrekken, extraversie, neuroticisme, consciëntieusheid, emotionele stabiliteit en openheid, worden sterk genetisch bepaald en blijken slechts in geringe mate (maximaal 5 à 10%) beïnvloed te worden door factoren die gemeenschappelijk zijn voor de meerlingen, zoals opvoedingsstijl en sociaal-economische status van de ouders. Naast substantiële genetische invloeden zijn vooral differentiële omgevingsfactoren van belang voor de fenotypische expressie van de persoonlijkheidstrekken. Het toewijzen van monozygote meerlingen aan verschillende parallelklassen is een voorbeeld van het creëren van een differentiële omgevingsinvloed.
Ouders moeten hun meerlingkinderen nauwkeurig observeren, met oog voor de gelijkenissen, maar ook voor de verschillen. Dat voorkomt stereotypie in hun attitude en vermijdt een ontwikkeling naar te hoge eenvormigheid. Toch moet men ook vermijden dat een te scherp onderscheid wordt gemaakt. Ouders van meerlingen hebben dikwijls de neiging om kinderen sterker te contrasteren voor bepaalde eigenschappen zonder dat het op werkelijkheid steunt. Die tendens kan een foute ingesteldheid tegenover het kind installeren en houdt het risico in dat een vooroordeel en een waardeoordeel tegenover het gedrag van een van de kinderen ontstaat.

Specifieke problemen

Ziekte, handicap of overlijden van een meerling

We zegden al dat de meerlingenzwangerschap een verhoogd risico op perinatale verwikkelingen en mortaliteit inhoudt. De ouders van meerlingen die een ziek of gehandicapt kind hebben, maken soms een rouwproces door dat pathologisch lang aanhoudt en de vreugde om de gezonde kinderen overschaduwt. Verwerping van het gehandicapte kind of verwaarlozing van de andere kinderen treden soms op, maar ook overbescherming of overschatting van het gehandicapte kind kunnen plaatsvinden. Bij het gehandicapte kind ontstaan dan vaak insufficiëntiegevoelens en bij de gezonden kan regressief gedrag, een pathologie nabootsend gedrag of psychopathologie met gedragsmoeilijkheden ontstaan als reactie.

Stagnatie in het rouwproces om een overleden kind kan maanden tot jaren aanhouden. Moeders van tweelingen waarvan één van de kinderen stierf, blijven zich vaak de moeder van een tweeling voelen. Door de confrontatie met het andere kind worden ze immers steeds weer herinnerd aan het overleden kind. Wanneer één van de meerlingen bij de geboorte overlijdt moet de omgeving de moeder/ouders toelaten om een rouwproces door te maken. De onmiddellijke omgeving negeert dikwijls deze noodzaak door een te sterke klemtoon op de meerling(-en) die nog in leven is (zijn). Bij handicap of overlijden van één van de kinderen zal veelal professionele hulp noodzakelijk zijn.

Adoptie en toewijzing bij echtscheiding

Wanneer meerlingen na de geboorte voor adoptie worden afgestaan, is het wenselijk dat beide kinderen samen door een gezin worden geadopteerd. De scheiding van de co-twin vormt later meestal een extra belasting boven op de scheiding van de biologische ouders. Een zelfde redenering geldt voor de toewijzing van meerlingen aan een ouder in het kader van echtscheiding. Het recht van de meerlingen om samen te worden geadopteerd, te worden geplaatst in pleeggezinnen of te worden toegewezen aan dezelfde ouder in het kader van een echtscheidingsregeling, is opgenomen in de ‘Declaration of Rights and Statement of Needs of Twins and Higher Order Multiples’ (1998, article VII).

Meerlingen als natuurlijk wetenschappelijk experiment

Meerlingen bevinden zich niet alleen om de bovenvermelde redenen in een uitzonderlijke positie. Voor wetenschappers vormen ze de ideale studiepopulatie om het relatieve belang van erfelijkheid en milieu te bestuderen als verklaring voor verschillen tussen personen in bijvoorbeeld symptoomgroepen, hypertensie, intelligentie, cognitieve bekwaamheden of temperaments- en persoonlijkheidstrekken. Gemeenschappelijk in deze studies is dat ze alle berusten op de vergelijking van de concordanties bij mono- en dizygote tweelingen voor het onderzochte kenmerk. Een hogere concordantie bij mono-zygote tweelingen is indicatief voor een erfelijke basis, aangezien deze meerlingen genetisch identiek zijn, tegenover hun dizygote peers die slechts de helft van hun genetisch materiaal delen. Het is m.a.w. essentieel voor de wetenschap om over correcte gegevens te beschikken over de zygositeit van de meerling. De zygositeit wordt bij voorkeur bij de geboorte bepaald, omdat men dan ook de structuur van de eivliezen kan onderzoeken.

Meerlingen als groep zijn dan ook bijzonder gegeerd studiemateriaal voor een hele reeks wetenschappelijk disciplines, geïnteresseerd in het relatieve belang van erfelijkheid en milieu. Het is van groot belang dat meerlingen, hun ouders en mensen die beroepshalve met jeugdigen en kinderen te maken hebben, zich bewust zijn van de unieke waarde van deze groep voor de wetenschap en beperkt en selectief participeren in wetenschappelijk onderzoek wanneer ze hiervoor aangesproken worden.