Geweld op TV

Engeland, november 1993. Ergens aan een verlaten spoorweg wordt de kleine James Bulger (2 jaar) vermoord teruggevonden. De daders worden al snel gevat en blijken zelf van vrij jeugdige leeftijd (beide ongeveer 10 jaar). Een onbegrijpelijke moord. Terwijl heel het land rouwt, komt de pers al gauw met speculaties over de drijfveren van de twee daders. Deze zouden zich bij de moord hebben laten inspireren door een horrorvideo die ze samen hadden bekeken. De media, en dan voornamelijk de televisie, worden met de vinger gewezen. Is het een gemakkelijkheidsoplossing omdat we niet met de knagende vraag naar het waarom van zo een onzinnige moord willen blijven zitten of hebben de media werkelijk schuld? De vraag blijft of het mogelijk is dat kinderen agressief en gewelddadig worden van het kijken naar gewelddadige televisieprogramma of gewelddadige films.
Bergen onderzoek zijn verricht in een poging het antwoord op bovenstaande vraag te kennen. Het meeste daarvan komt uit Amerika. Dit is op zich vrij logisch aangezien je daar een grotere kans maakt om al op jonge leeftijd met geweld geconfronteerd te worden en dit zowel in het echte leven als op de televisie. Een eensluidend besluit is echter uit dit onderzoek nooit naar voor gekomen. Wel vallen er drie grote theorieën te onderscheiden: de reductietheorie, de ‘no-effect’ theorie en de stimulatietheorie.

De reductietheorie
Onderzoekers die de reductietheorie aanhangen, stellen dat het kijken naar gewelddadige programma’s ervoor kan zorgen dat de agressie die aanwezig is in een kind, gereduceerd wordt. In dit opzicht kan geweld op televisie een uitlaatklep vormen voor kinderen. Het kijken naar gewelddadige programma’s zorgt er dan voor dat kinderen hun agressie niet meer op een andere manier moeten kwijtraken. De reductie van agressie kan ook gebeuren door het proces van empathie of medeleven met het slachtoffer. Wanneer men zich inleeft in de gevoelens van het slachtoffer kunnen agressieve gevoelens afgezwakt worden.

De ‘no-effect’ theorie
Deze theorie is zeer simpel: geweld op televisie en geweld in het echte leven hebben op geen enkele manier iets met elkaar te maken. Geweld op televisie heeft volgens deze theorie geen effect op het gedrag van kinderen noch in goede zin noch in slechte zin.

De stimulatietheorie.
De meeste onderzoekers vinden zich terug in deze theorie. De harde kern onder hen zegt dat geweld op televisie de directe oorzaak kan zijn voor geweldpleging door kinderen. Zij geloven dat agressie op televisie aanzet tot gewelddadig gedrag.

Een visie die hierin past, is ‘the copycat view’.
Kinderen gaan het gewelddadig gedrag dat ze op televisie zien, imiteren. Iedereen kent waarschijnlijk wel kinderen die tijdens de speeltijd katachtige karatesprongen maken en elkaar bekampen zoals ze dat in ‘The Ninja Turtles’ hebben gezien. Een ander voorbeeld van een effect dat hier thuishoort is dat van de desensitisatie. Je wordt ongevoelig wordt voor geweld door veel te kijken naar geweld op televisie. Je gaat geweld gewoon vinden.
Toch is geweld op televisie als directe oorzaak voor geweld in het echte leven volgens de meeste onderzoekers een té simplistisch model. Het is een sterk afgezwakte versie van dit model dat algemeen meer aanvaard wordt. Hierin wordt gesteld dat televisie nooit de enige oorzaak van geweld kan zijn. Er zijn altijd achterliggende factoren, hier interveniërende variabelen genoemd, die samen met het geweld op televisie maken dat het kind agressief wordt.
Voor we deze interveniërende variabelen bespreken, moeten we eerst stilstaan bij een belangrijke vraag: “Hoe bekijken kinderen het geweld op televisie?”. De meeste effectenmodellen behandelen kinderen namelijk als inadequate wezentjes die zelf niet kunnen beslissen over wat goed is voor hen en wat niet. Vroeger vertrokken onderzoekers dan ook altijd vanuit het standpunt van de volwassene. De ouders van de kinderen werden ondervraagd over het kijkgedrag van hun kroost. Kinderen zijn echter mondiger geworden. Er is dan ook een trend in het wetenschappelijk onderzoek om hen te ondervragen en vooral te peilen naar hun definities van de werkelijkheid. Hoe die definities van de werkelijkheid tot stand komen, wordt duidelijk wanneer we bekijken hoe leerprocessen werken. Agressief gedrag wordt gezien als het resultaat van ‘enactive learning’ (beloond of gestraft worden voor je eigen gedrag) en van ‘observational learning’ (het observeren van de effecten van andermans gedrag). Als een resultaat van deze twee vormen van leren zal het kind in zijn geheugen een handelswijze, hier script genoemd, voor zijn toekomstig gedrag vastleggen. Het kind zal wanneer het in een bepaalde situatie terechtkomt de scripts oproepen die in die situatie van toepassing zijn en aan de hand daarvan handelen. Het geweld dat het kind op televisie ziet, komt zo ook als script terecht in zijn geheugen en kan dan ook gebruikt worden wanneer men in gelijkaardige situaties terechtkomt. Toch is het niet zo dat alle kinderen die naar geweld op televisie kijken deze scripts ook gaan memoriseren en gebruiken in het echte leven. Er zijn nog altijd de interveniërende variabelen die bepalen of het kind het script onthoudt en gebruikt of niet. Er zijn twee soorten interveniërende variabelen die de relatie tussen geweld op televisie en agressie bij kinderen kunnen beïnvloeden: deze die te maken hebben met situationele of omgevingsfactoren en deze die te maken hebben met individuele factoren.

Situationele of omgevingsfactoren. De aantrekkingskracht van het vertoonde
Kinderen worden aangesproken door beelden die in het oog springen. Zij richten hun aandacht op programma’s met veel actie en op deze die overladen zijn met speciale effecten (zowel visuele effecten als geluidseffecten). Je zou dus kunnen zeggen dat voor kinderen de vorm van het programma primeert op de eigenlijke inhoud. Aangezien veel gewelddadige series en films met speciale effecten zeer aantrekkelijk gemaakt zijn, zullen kinderen ook graag naar deze programma’s kijken. De vorm van het televisieprogramma (actie, speciale effecten) is echter veel belangrijker om de aandacht van kinderen te trekken dan de inhoud, in dit geval, het geweld. Het argument dat geweld nodig is om de aandacht van de kinderen vast te houden, houdt dus geen steek.

Familiale factoren.
Kinderen die uit een gezin komen waar problemen opgelost worden door het plegen van geweld, gaan ook makkelijker een gewelddadige oplossing kiezen voor hun problemen. Hun gewelddadige familieachtergrond zorgt er ook voor dat zij gewelddadig gedrag gaan goedkeuren (iedereen is agressief en agressie werkt) waardoor ze de gewelddadige oplossingen die aangeboden worden in televisieprogramma’s makkelijker memoriseren en naderhand gebruiken. Een belangrijke factor is hier ook of de televisie als centrum van de familiale recreatie wordt gezien of niet. Wanneer de televisie de belangrijkste vorm van ontspanning in het gezin is dan zullen de scripts die daar getoond worden makkelijker gememoriseerd worden.
Het gedrag van de personen die samen met het kind naar het programma kijken. Samen kijken met anderen die het geweld in een gewelddadig programma goedkeuren, vergemakkelijkt agressief gedrag. Kijken met anderen die geweld afkeuren, zal agressie afremmen. Iemand die samen met het kind naar televisie kijkt kan dus de mogelijke negatieve gevolgen van een programma versterken of afzwakken. De ouders van het kind zijn hier heel belangrijk. Wanneer zij samen met hun kinderen naar de televisie kijken, kunnen zij duiding geven aan hun kind. Zij hebben zo ook de kans om de effecten van het televisiegeweld op het kind af te zwakken. De televisie gewoon als babysit gebruiken, is dus niet altijd aan te raden. Uit een studie van Dr. J. Van Den Bulck en Dr. B. Van den Bergh bij 10 en 11-jarigen uit heel Vlaanderen blijkt dat vooral moeders samen met hun kinderen televisie kijken en dan nog voornamelijk samen met hun dochters en minder met hun zonen.

Individuele factoren

Emotionele opwinding.

Kinderen die net voor het kijken naar geweld al agressief zijn, zullen waarschijnlijk ook agressiever reageren na het kijken van geweld op televisie. Zo’n kinderen gaan het programma ook anders bekijken. Hun aandacht wordt alleen getrokken door alles wat de agressie die ze al hebben versterkt bv. gevechtsscènes. Zij hebben minder aandacht voor scènes waarin duidelijk wordt dat geweld niet loont bv. wanneer de agressor tot het inzicht komt dat zijn daden niet goed te keuren zijn.

Begrijpt het kind wat er op het scherm getoond wordt?

Hoe het kind reageert op geweld in programma’s hangt ook af van zijn bevattingsvermogen. Wanneer het kind begrijpt waarom het geweld gebeurt en vooral wat de gevolgen ervan zijn dan zal het minder agressief zijn dan wanneer het dat niet begrijpt. Hier schuilt zeker een gevaar voor jonge kinderen. Zij begrijpen meestal niet zo goed wat het gevolg kan zijn van agressie en geweld. Een jong kind kan ook meestal niet inschatten wat de alternatieven zijn voor het gebruik van geweld. Het gaat grijpen naar de oplossing die het altijd voorgeschoteld krijgt: geweld. Wanneer we geweld op televisie dus bekijken vanuit het standpunt van de verstandelijke ontwikkeling van een kind dan lijkt het dat jongere kinderen veel kwetsbaarder zijn voor mogelijke negatieve effecten van televisie.

Hoe interpreteert en evalueert het kind het gedrag van de acteurs.

Is de gewelddadige acteur de grote held van het kind en wordt hij ook nog eens beloond voor zijn gedrag dan is de kans groot dat het kind zijn gedrag gaat opnemen in een script en dit misschien later eens uitvoert. Is het anderzijds zo dat het gewelddadig gedrag komt van de ‘bad guys’ die de held het leven zuur maken maar die op het einde gestraft worden voor hun gedrag, bv. door een gevangenisstraf, dan is de kans groot dat het kind niet gewelddadig gaat reageren op een gewelddadig programma.

Komt het geweld in het programma over als realistisch of niet?

Wat is geweld op televisie? Wanneer het ene programma mij een bodycount van 120 oplevert en het andere een van 2 is het dan noodzakelijk zo dat het eerste gewelddadiger is? Dit blijkt niet zo te zijn. Hoeveel keer iemand op iemand anders gezicht inslaat of hoeveel doden er vallen zijn een maatstaf van iets maar meten daarom niet noodzakelijk wat de gewone kijker verstaat onder geweld. Voor de kijker, en dit is ook zo voor kinderen, is vooral de context waarin het geweld zich voordoet van belang. Wanneer het geweld zich voordoet in de context van een nieuwsprogramma dan zal dit voor kinderen waarschijnlijk moeilijker te verteren zijn dan het geweld in een actieserie waarvan zij weten dat het pure fictie is. Hier speelt het inlevingsvermogen ook een rol. Hoe realistischer de personages en de situaties in de serie voor een kind overkomen, hoe meer kans dat hij het gewelddadig script gaat onthouden.

Drie theorieën zijn besproken waarvan een afgezwakte versie van de stimulatietheorie waarschijnlijk het dichtst bij de waarheid ligt. Het is bij dit alles echter goed eens stil te staan bij de volgende vraag: ” Maakt geweld op televisie kinderen agressief of zijn het agressieve kinderen die een voorkeur hebben voor gewelddadige programma’s?” Uit onderzoek blijkt dat dit laatste wel eens waar kan zijn.