Stotteren

Getuigenis

Onze zoon Thomas, komt thuis van de school. Hij zit momenteel in het tweede leerjaar van de lagere school. Op het moment dat hij begint te praten, horen en weten we het al: het zal weerom een avond worden met veel geduld, want Thomas heeft weer veel ‘stottertjes’.

Toch zijn we blij dat hij praat en lacht, ook al gaat dat zeer moeizaam. Het is erger geweest. Toen Thomas ongeveer 4 jaar, was werd het ons duidelijk dat hij de ernstigste vorm van stotteren had. Daarbij kwam nog dat hij stil, introvert en uitermate onzeker was. Als moeder besefte ik toen dat mijn zoon geen gemakkelijke toekomst zou hebben. Daar ik zelf vroeger stotterde, wist ik wat een pijn, moeite en frustratie dit zou meebrengen.

Gelukkig voor onze zoon krijgt hij tot op heden uitstekende hulp van de logopediste, want ondersteuning van een professional heb je nodig, omdat je leven voortdurend belemmerd wordt door dit stottergedrag en bijkomend, in ons geval, onze zoon zijn geaardheid.

Niets was en is nog ‘gewoon’. Thomas voelt zich het beste bij een strak, gekend verloop van de dag en vooral, geborgenheid in het huisgezin. Dat wil zeggen dat er niet te veel nieuwigheden of toevalligheden mogen zijn. Thuis betekent ook op ‘zijn manier’ kunnen en mogen praten. De vakanties zijn voor hem het beste, want de minste druk van buitenaf is al genoeg om de broos geoefende spraakvaardigheid te vernietigen. Stel je voor, als je kind thuis komt van school, naar je toekomt en zegt: “Help me mama!” Dat vergeet je nooit meer. Het enige wat je dan kan doen, is hem op je schoot nemen en hem ‘helpen’ te verwoorden. En op dat ogenblik weet je dat je de helft niet weet van wat er in je eigen kind omgaat.

De enige andere manier van communiceren bij Thomas is iemand aanraken en plagen; iets wat vandaag de dag op sociaal vlak niet zo goed getolereerd wordt. Ook beleefheid, zoals wij dat leren, is uit den boze; Thomas zegt het hoogst noodzakelijke. En als Thomas wil praten, dan stopt elk lid van het huisgezin om hem voorrang te geven.

Het ergste voor ouders is eigenlijk te weten dat je een pracht van een zoon hebt, maar dat de meeste mensen hem nooit zo zullen ervaren. Ze vergeten het kind en horen enkel de stotters. Daar denken we aan als ons geduld al eens op is: we zijn het hem verplicht om van onze thuis ‘zijn plaats’ te maken …”, aldus de ouders van Thomas.

FENOMENOLOGIE VAN STOTTEREN

De getuigenis van de ouders van Thomas illustreert ten overvloede dat stotteren meer, veel meer is dan een spraakstoornis. Stotteren is zeer complex. Naast de gedragscomponent omvat het emotionele, cognitieve en communicatieve componenten.

In de gedragscomponent maakt JANSSEN (1985) een onderscheid tussen het uitwendige en het inwendige stottergedrag. Tot het uitwendige stottergedrag behoren de kernstottergedragingen en de niet-verbale gedragingen. De kernstottergedragingen zijn typisch, gemakkelijk herkenbaar en ze vormen de kern van het stotteren. Ze worden onderscheiden van de normale niet-vloeiendheden en ze vinden op klankniveau plaats. De normale niet-vloeiendheden worden door de stotteraar gebruikt om het stotteren te vermijden of om er vat op te krijgen. Tabel 1 geeft schematisch die twee categorieën niet-vloeiendheden weer (JANSSEN, 1985).

kernstottergedragingen
(type 1)
 normale niet-vloeiendheden
(type 2)
– snelle meervoudige herhaling van een klank
voorbeeld: de k-k-k-kapitein
– snelle meervoudige herhaling van een lettergreep
voorbeeld: democra-cra-cra-cratisch
– snelle meervoudige herhaling van een eenlettergrepig woord
voorbeeld: de-de-de de man
– snelle meervoudige klankinterjectie
voorbeeld: ik eh-eh-eh-eh wil
– verlenging van een klank
voorbeeld: het vvvvv-vreemde was
– blokkade van hoorbare en zichtbare spanning
voorbeeld: ik b-pauze-ben
– langzame enkelvoudige herhaling van een klank
voorbeeld: dat is t-treffend
– langzame enkelvoudige herhaling van een lettergreep
voorbeeld: een po-positie
– langzame enkelvoudige herhaling van een woord
voorbeeld: gisteren-gisteren ben ik
– zinsdeelherhaling
voorbeeld: ik ben toen, ik ben toen weggegaan
– zinsrevisie
voorbeeld: ik ben toen, ik heb me toen
– ‘uh’ interjectie
voorbeeld: ik wil- uh- even zeggen
– woordinterjectie
voorbeeld: ik moet naar – dinges – Paul toe
– pauze zonder hoorbare of zichtbare spanning
voorbeeld: ik wil – pauze – even zeggen

Tabel 1: Categorieën niet-vloeiendheden

Naast de gedragingen uit tabel 1 onderscheiden we aan het uitwendige stottergedrag nog de niet-verbale gedragingen. Die uiten zich in storingen van de ademhaling, bewegingen in het aangezicht of met het lichaam, of delen ervan, tijdens het spreken. In de regel zijn ze gemakkelijk herkenbaar en te onderscheiden van normale niet-verbale gedragingen. Deze laatste kunnen ook bij stotteraars voorkomen en trucs zijn om vloeiend te spreken, de aandacht af te leiden of het stotteren te verbergen. Tabel 2 geeft de beide categorieën non-verbaal gedrag schematisch weer (JANSSEN, 1985).

met stotteren geassocieerde non-verbale gedragingen  ‘normale’ non-verbale gedragingen
1 ademhalingsstoornissen, zoals:
– gespannen uitademen
– abrupte inademing
– spreken op inademing
– spreken op residuele lucht
2 spraakgebonden faciale storingen, zoals:
– verhoogde spierspanning in kaken en lippen
– tremor in kaken en lippen
– abnormale mondbewegingen
3 bijkomende faciale storingen, zoals:
– extreme hoofdbewegingen
– ogen dichtknijpen
– ogen verwijden
– verwijden van neusvleugels
4 abrupte bewegingen met het lichaam of delen van het lichaam
– wegkijken
– oogknipperen
– fronsen
– wenkbrauwen optrekken
– met de hand aan haar of gezicht zitten
– hand voor de mond houden
– gesticuleren
– kuchen
– slikken
– lippen bevochtigen
– lachen

Tabel 2: Categorieën non-verbaal gedrag

Het inwendige stottergedrag bestaat uit de emotionele, de cognitieve en de lichamelijke componenten.

De emotionele reacties van de stotteraar zijn gevoelens van angst, schaamte, kwaadheid, irritatie, spanning, opwinding tot zelfs agressie.

De moeder van Robin (6e leerjaar) verwoordt het als volgt: “Eigenlijk werd hij hoe langer hoe onzekerder en dan ging het helemaal mis. Hij was vooral bang voor de kinderen in de klas. Tijdens het lezen zou iemand kunnen merken dat hij stotterde en mogelijk met hem beginnen te lachen. Hij was niet alleen bang om te lezen maar ook om te antwoorden in de klas. Ook tijdens de pauze op de speelplaats was hij niet gerust wanneer hij tegen de andere kinderen iets moest zeggen. Dit had tot gevolg dat hij er op de duur alles aan deed om zo weinig mogelijk te moeten praten.
’s Avonds, wanneer hij ging slapen, was hij al bang voor de volgende dag. Dan zat ik meestal nog een hele tijd bij zijn bed om hem gerust te stellen. Tijdens die periode begon hij het ook thuis moeilijker te krijgen. Het gebeurde al eens, wanneer hij iets vertelde en dat niet vlot ging, dat hij zijn verhaal afbrak en kwaad wegliep.

Robin was toen ook erg humeurig en ergerde zich gemakkelijk aan allerlei zaken. Zijn vader en ik wisten dat hij met zichzelf worstelde, maar voor zijn broer was het soms toch moeilijk Robins ergernis over zich heen te laten gaan. Er kwam dan ook geregeld ruzie van. Veel met hem praten heeft altijd wel geholpen, daardoor voelde hij zich dan snel weer beter. Langzamerhand is Robin wel sterker geworden. Hij heeft nu al veel meer zelfvertrouwen.”

Het verhaal van Robin illustreert eveneens hoe cognities bij het stotteren een belangrijke rol spelen. Het zijn de irrationele negatieve cognities die tot het probleemgedrag van de stotteraar kunnen behoren. Cognities kunnen uitgroeien tot een negatieve attitude tegenover communicatie. Die attitude kan zich eveneens uitbreiden tot andere gebieden waarbij het zelfbeeld en het gevoel van eigenwaarde worden beïnvloed.

Eddy (38j.) omschrijft zijn lichamelijke gewaarwordingen als: ” … je hart bonst in je keel, het zweet breekt uit, je ademhaling zit hoog in je keel …”. We onderscheiden hierin niet alleen de sensaties, de ongewone spanningen en bewegingen ter hoogte van het spreekkanaal of bewegingen in het lichaam, maar ook de auditieve gewaarwordingen waarbij de stotteraar fouten bij het spreken direct registreert, waardoor die weer tot nieuwe verstoringen kunnen leiden.

Naast de uitwendige en de inwendige gedragscomponenten onderscheiden we aan het stotteren nog de interactieve gedragscomponent of de communicatieve component.
STOURNARAS (1980) beschrijft die component als: ‘de gestoorde communicatieve interactie tussen de stotterende spreker en zijn luisteraar(s), zowel op het verbale als op het emotionele en relationele niveau’.
Robin (6e leerjaar) schrijft: “Als er bezoek kwam, bleef ik uit de buurt om niets te moeten zeggen. Er is zelfs een tijdje geweest dat ik bijna niets meer zei. Ik telefoneerde ook niet meer”.

Eddy getuigt: “De tijd van uitgaan was aangebroken. Kunt u zich voorstellen, tezamen met enkele jongens en meisjes in een café! Ik die pas iets durfde zeggen na verschillende pinten bier. Een uitspraak van een vriend is mij zeer goed bijgebleven: ‘Voor gij het gezegd hebt, ben ik er al lang mee weg’. Dansen was ook al zo’n belangrijk moment. Ge kunt u al voorstellen dat er niet veel gepraat werd. Toen een meisje mij zei: ‘Zeg hakkelaar, zeg het maar ineens’, werd er een tijdlang niet meer gedanst.”

De beschreven componenten vormen de basisstructuur van het stotteren en zijn bij elke stotteraar in meer of mindere mate aanwezig. De betrokkenheid van elk van hen in de fenomenologie van het stotteren maken dat tot een complex probleem.

Samenvattend vinden we de basisstructuur van het stottergedrag weergegeven in tabel 3.

GEDRAGSCOMPONENTEN:  
 1 Uitwendige  niet-vloeiendheden
niet-verbale gedragingen
 2 Inwendige  emotionele component
cognitieve component
lichamelijke component
 3 Interactieve  communicatieve component

Tabel 3: Basisstructuur van het stottergedrag

Voor de volledigheid vermelden we hier nog de definities van stotteren, zoals ze beschreven staan in de DSM-III-R en de ICD-10.

De DSM-III R (1987) omschrijft het stotteren als een stoornis in het vloeiende verloop van de spraak, gekenmerkt door frequente herhalingen en verlengingen van klanken of lettergrepen. Verschillende andere types van spraakonvloeiendheden, zoals blokkades van klanken of interjecties van klanken of woorden, kunnen eveneens worden aangetroffen. De omvang van de stoornis kan van situatie tot situatie variëren en is ernstiger wanneer de communicatiedruk toeneemt.

Volgens de ICD-10 (1994) is het stotteren: ‘Spraak die wordt gekenmerkt door frequente herhaling of verlenging van geluiden of lettergrepen of woorden, of door herhaalde aarzelingen of pauzes die het vloeiende verloop van de spraak onderbreken. Lichte verstoringen van het spraakritme komen tamelijk vaak voor als een voorbijgaande fase in de vroege kindertijd, of als een gering, maar aanhoudend kenmerk van de spraak in de latere kindertijd en in de volwassenheid. Ze dienen alleen als een stoornis te worden geclassificeerd wanneer de ernst ervan zodanig is, dat het vloeiende verloop van de spraak duidelijk wordt belemmerd. Er kan sprake zijn van bijkomende bewegingen in het gezicht en/of andere delen van het lichaam die in de tijd samenvallen met de herhalingen, verlengingen of pauzes in het vloeiende verloop van de spraak. Stotteren dient onderscheiden te worden van ongecoördineerde spraak en van tics. In sommige gevallen kan er sprake zijn van een bijkomende ontwikkelingsstoornis van spraak en taal.’

 

TYPOLOGIE EN VOORKOMEN VAN STOTTEREN

STES (1994) beschrijft drie types van stotteren:

Type I : Het klassieke ontwikkelingsstotteren.
Type II : Het stotter-broddelen.
Type III: Het dwangneurotisch stotteren.

De verschijnselen en het voorkomen kunnen per type als volgt schematisch worden samengevat:

 Type I: Klassiek ontwikkelingsstotteren

Verschijnselen

– plots/geleidelijk beginnen stotteren, na een periode van vloeiend spreken (2-4 jaar), zonder aanwijsbare oorzaak, met – tot nu toe – normale spraak- en taalontwikkeling, met lange periodes van herstel;
– begint met snelle syllabe- en/of klankherhalingen, gevolgd door – naar gelang de gevoeligheid en de frustratietolerantie – verlengingen, blokkeringen, meebewegingen, uitstel-, vermijdings- en startgedrag;
– eerst weinig opvallende cognitieve en emotionele reacties, gevolgd door het ontwikkelen van destructieve en negatieve emoties en cognities;
– reageren soms met het vertragen of afremmen van de verbale output en de spraak- en taalontwikkeling.

Voorkomen

Komt bij minstens 50 % van de stotteraars voor.

 Type II: Stotter-broddelen

Verschijnselen

– geleidelijk beginnen te stotteren, nooit echt vloeiend en vlot gesproken, geen herstelperiodes, met vertraagde spraak- en taalontwikkeling (articulatie, snelheid, taaloutput), dikwijls met congenitale (erfelijke) insufficiënties op het gebied van spraak- en taal (broddelen, stotteren, taal, dyslexie, stem …);
– snelle syllabe- en/of klankherhalingen, gevolgd door – naar gelang de gevoeligheid en de frustratietolerantie – eerder korte prolongaties van klanken en korte blokkeringen, algemeen onduidelijk spreken met uitbarstingen van snelheid (timing-probleem) en taalzwakte;
– geringe cognitieve en emotionele reacties.

Voorkomen

Komt bij ongeveer 25 – 30 % van de stotteraars voor.

 Type III: Dwangneurotisch stotteren

Verschijnselen

– eerder plots, laat, beginnen te stotteren, na een periode van vloeiend spreken, met weinig periodes van herstel, gepaard gaande met, of voorafgegaan door ervaringen van overweldigende angst en vrees (of wat zo ervaren wordt) bij nieuwe en onbekende dingen, gepaard gaande met overdreven stiptheid en punctualiteit, gepaard gaande met rigiditeit, dikwijls optredend met neurotische omgevingsfactoren (traumatische ervaringen, (over)protectie en/of perfectionisme);
– monosymptomatisch en symbolisch stotteren: steeds dezelfde stottervorm (wisselend, soms met typische woordherhalingen, klankverlengingen, soms met felle blokkeringen waarop heftig gereageerd wordt), maar veralgemeend optreden;
– verandert weinig (dikwijls extrovert en sociaal gericht).

Voorkomen

Komt bij ongeveer 20 % van de stotteraars voor.

ETIOLOGIE

JANSSEN (1994) publiceerde recentelijk een synthese over de etiologie van stotteren. Ze geeft een overzicht van de meest gangbare theorieën en modellen van de etiologie van stotteren aan de hand van de volgende indeling:

1. Stotteren als een erfelijke afwijking;
2. Stotteren als een persoonlijkheidsstoornis;
3. Stotteren als een aangeleerde afwijking;
4. Stotteren als een neurofysiologische afwijking;
5. Stotteren als een multifactoriële storing.

Stotteren als een erfelijke afwijking

Tweelingenstudies en familieonderzoeken wijzen op het bestaan van een erfelijke factor bij het stotteren. Er is eveneens een invloed van het geslacht; de stambomen tonen een overerving via de vrouwelijke lijn aan: mannen stotteren meer dan vrouwen en vrouwelijke stotteraars hebben meer stotterende verwanten dan mannelijke stotteraars. Stotteren op zich wordt niet overgeërfd, het zijn wel de factoren die predisponeren voor het ontstaan van stotteren die overerfbaar zijn. Opvoeding en andere sociale factoren zijn nodig om de predispositie manifest te laten worden. ‘Er is een erfelijke aanleg voor stotteren, maar die aanleg bestaat niet in één afwijkend gen maar in een combinatie van èn meerdere afwijkende genen èn invloeden van buitenaf.’

Stotteren als persoonlijkheidsstoornis

Volgens deze opvatting zou aan de basis van het stotteren een neurotisch conflict liggen. Uit tests blijkt echter dat volwassen stotteraars niet hoger scoren op neuroticisme dan volwassen normale sprekers. Neurotische symptomen zijn toe te schrijven aan persoonlijke ervaringen van de stotteraar, maar zijn niet de aanleiding tot het stotteren.
In recente opvattingen zijn persoonlijkheidskenmerken niet doorslaggevend, maar zijn ze een van de vele factoren die een ongunstige uitwerking kunnen hebben op een kind met stotteraanleg.

Stotteren als een aangeleerde afwijking

Het stotteren ontwikkelt zich volgens deze theorie uit de normale niet-vloeiendheden. Leerprocessen spelen hierin een belangrijke rol en ze kunnen een invloed hebben op cognities, op attitudes of op emoties. Verschillende visies kunnen hierin worden ondergebracht: de diagnosogenische theorie (het stotteren begint in de oren van de ouders); de anticiperende-vechthypothese (het stotterend kind ontwikkelt faalangst voor communiceren, waarbij elke nieuwe spreekpoging een anticiperen van moeilijkheden wordt, waardoor het kind de spieren gaat spannen en de spraak verbrokkelt); de dubbel-toenadering-vermijdingsconflicthypothese (stotteren is het gevolg van twee tegenstrijdige behoeften: de behoefte om te spreken en om niet te spreken, waarbij beide behoeften de stotteraar angst geven); het tweefactorenmodel (stotteren is een desintegratie van het spreekgedrag als gevolg van klassiek geconditioneerde negatieve emoties); en de operante visie (stotteren is operant gedrag dat manipuleerbaar is volgens de pricipes van de operante conditionering).

Stotteren als een neurofysiologische afwijking

In dit kader horen de auteurs die de oorzaak van het stotteren in verband brengen met de organisatie in de hersenen; het brein werkt verkeerd (de neuropsychologische benadering). Andere auteurs veronderstellen fouten tijdens het plannen van de spraak (de psycholinguïstische benadering) of zoeken het in een foutieve uitvoering (de spraakmotorische benadering) of schrijven het stotteren toe aan verstoringen in de feed-backprocessen via het auditieve kanaal (de cybernetische benadering).

Stotteren als een multifactoriële storing

In deze opvatting horen het eisen- en capaciteitenmodel, het negen-componentenmodel en het interactiemodel thuis.

Het eisen-capaciteitenmodel is een ‘balans’-model waarbij gesteld wordt, dat het kind gaat stotteren wanneer de extern en/of intern gestelde eisen te hoog zijn voor de op dat moment aanwezige vaardigheden. Het model stelt dus niet dat er in de omgeving van het kind of in het kind pathologische omstandigheden aanwezig zijn of dat het kind beperkte capaciteiten bezit die tot stotteren leiden.

Het negen-componentenmodel bestaat uit zes componenten die bij het kind zelf liggen (intrapersoonlijke factoren) en drie in de omgeving, met name in de houding en het gedrag van de ouders (interpersoonlijke factoren). De intrapersoonlijke factoren betreffen stoornissen of tekorten op het gebied van de aandacht/concentratie, de auditieve waarneming, de zinsbouw en de mondmotoriek (neurologische dysfuncties). Verder vormen de neiging om overdreven eisen aan zichzelf te stellen of de neiging om zijn omgeving via het stotteren te manipuleren de andere twee intrapersoonlijke componenten.
De interpersoonlijke componenten zijn de ongunstige communicatieve omgeving, de te hoge eisen die door de ouders worden gesteld, en de problematische gezinssituatie.

In het interactiemodel wordt het accent gelegd op de wisseling tussen factoren die bij een kind tot stotteren leiden. De combinatiemogelijkheden zijn dan ook vrijwel oneindig. HANLEY (JANSSEN, 1994) vat de factoren als volgt samen: ‘de wijze waarop het kind zijn omgeving waarneemt, met name het ongemak van degene met wie het kind in gesprek is; de drempel van het kind voor emotionele gevoeligheid; de ingewikkeldheid van het spraak-taalgebruik van het kind; bepaalde karakteristieken in de spraak van de luisteraar, zoals een te gehaast spreekmodel; onrustwekkende aspecten in de situatie waarin gesproken wordt, zoals een lawaaierige omgeving; en de specifieke neuromusculaire beperkingen van het kind op een bepaald moment en binnen een bepaalde situatie. Het zijn allemaal factoren die tot het verbreken van het vloeiende spreken kunnen leiden, maar het is bij elk kind weer een andere samenloop van gebeurtenissen die de doorslag geeft.’

THERAPIE VAN STOTTEREN

Dé stottertherapie bestaat niet. Elke therapie is gebaseerd op een zorgvuldige differentiële diagnostiek en is enerzijds gericht op gedragsveranderingen bij de stotteraar zelf, en anderzijds op de begeleiding van de omgeving van de stotteraar. Die begeleiding is vooral noodzakelijk bij stotterende kinderen, maar is eveneens zinvol bij opgroeiende en volwassen stotteraars.

1. Doelstellingen en opzet van de therapie

De doelstellingen van de stottertherapie kunnen volgens JANSSEN (1985) de volgende zijn:

1. Het verminderen van met het stotteren samenhangende negatieve emoties, bestaande uit:
a. het verlagen van een hoog spanningsniveau en het verminderen van emotionele             reacties op het stotteren, die de kans op stotteren vergroten;
b. het verminderen van de vrees voor spreekstimuli, zoals situaties, personen,                     woorden en klanken;
c. het verminderen van vermijdingsgedrag op verbaal en non-verbaal niveau.
2.  Het verminderen van sociale angst, het aanleren of verbeteren van sociale vaardigheden en het verminderen van vermijdingsgedrag op sociaal niveau.
3.  Het veranderen van mediërende cognities, zoals het overgevoelig zijn voor eigen niet-vloeiendheden, een negatieve attitude ten opzichte van het spreken en ten opzichte van zichzelf en andere negatieve cognities die de kans op stotteren vergroten.
4.  Het veranderen van het spreekgedrag, bestaande uit:
a. het vestigen van een stottervrije spraak door het opbouwen van een
spreekpatroon dat onverenigbaar is met stottergedrag, of door het aanleren van
vaardigheden om het stottergedrag te controleren;
b. het elimineren van non-verbaal vluchtgedrag;
c. het generaliseren van de stottervrije spraak;
d. het consolideren van de stottervrije spraak.

Al die doelstellingen zijn gericht op veranderingen bij de cliënt zelf. Daarnaast is er in sommige gevallen aanleiding om doelstellingen te formuleren die veranderingen in de omgeving van de stotteraar beogen. Met name bij jeugdige stotteraars bestaat dikwijls de noodzaak het veranderen van ongewenste reacties uit de omgeving of het wegnemen van ongunstige voorwaarden, thuis of op school, als doel van de behandeling te kiezen. Bij volwassen stotteraars ligt dat moeilijker, de omgeving is minder te beïnvloeden. Bovendien biedt het vanuit een oogpunt van zelfredzaamheid vaak meer perspectief de stotteraar zelf te leren zich weerbaarder op te stellen tegenover onaangename reacties uit de omgeving.’

Afhankelijk van de doelstellingen van de therapie zullen de methodes aan iedere stotteraar en zijn omgeving worden aangepast. PETERS en GUITAR (1991) pleiten in dit kader voor een geïntegreerde benadering.

2 Begeleiding van de omgeving

Therapeutisch wordt er naar leeftijd een onderscheid gemaakt tussen:

1. De gevorderde stotteraar (volwassenen, hogeschoolstudenten …).
2. De beginnende stotteraar (2 – 8j.).
3. De opgroeiende stotteraar (lagere-schoolkinderen, middelbare-schoolstudenten).

De essentie van de stottermodificatie voor de gevorderde stotteraar is hem te leren zijn stottermomenten te veranderen, zijn stotterangst te reduceren en de vermijdingsgedragingen te elimineren. In de vloeiendheidstrainingen wordt een zekere vorm van vloeiend spreken in de klinische setting uitgebouwd en gradueel ‘normaal klinkend’ gemaakt. Die wordt gegeneraliseerd naar dagelijkse spreeksituaties.

De integratie van de stottermodificatie en de vloeiendheidstraining wordt bereikt door de therapie in de volgende vier fasen in te delen:

1. De stotteraar inzicht geven in zijn stotteren door hem voldoende basisinformatie te verschaffen en hierover te praten.
2. Bij de stotteraar negatieve gevoelens en attitudes verminderen en vermijdingsgedragingen elimineren door het stotteren openlijk te bespreken, gevreesde woorden en situaties te gebruiken, stottermomenten vast te houden en het vrijwillig stotteren toe te passen.
3. Het gebruiken van vloeiendheidsbevorderende technieken en het modificeren van de stottermomenten door o.m. klanken te verlengen, trager te articuleren en te ontspannen.
4. De bereikte resultaten onderhouden om ze te behouden door dagelijks aan zijn stotteren te werken.

Bij de beginnende stotteraar wordt er naast de vloeiendheidstraining en de stottermodificatie bij het kind eveneens ouderbegeleiding ingeschakeld. De therapie kan in de volgende fasen worden ingedeeld:

1. Het vestigen van vloeiende spraak met transfer naar de thuissituatie. Het doel is dat het kind vloeiend met zijn ouders spreekt. Het blijkt namelijk, indien dit mogelijk is, dat het kind gemakkelijker het vloeiende spreken in andere situaties kan toepassen.
2. Het desensitiseren van het kind voor vloeiendheidsonderbrekingen, bv. wanneer het opgewonden is.
3. Het modificeren van de stottermomenten als het kind blijft stotteren.
4. Het onderhouden van de verbetering door follow-upsessies te organiseren. Dat zijn controlebeurten die tot twee jaar kunnen duren.

Bij de beginnende stotteraar is ouderbegeleiding essentieel om hun voldoende informatie over het stotteren van hun kind te geven, hun inzicht te geven in situaties die de vloeiendheid remmen of bevorderen, hun adviezen te geven over de omgang met het kind enzomeer. Die begeleiding wordt concreet naar gelang van elk kind opgesteld en bijgestuurd.
In de behandeling van de opgroeiende stotteraar wordt er naast de directe behandeling van het kind veel belang gehecht aan counseling met de ouders en de leerkracht.

Schematisch kunnen we de procedure bij die stotteraars samenvatten rond de volgende componenten:

1. Geven van informatie over en inzicht in het stotteren.
2. Gebruiken van vloeiendheidbevorderende technieken en modificeren van stottermomenten.
3. Verminderen van negatieve gevoelens en attitudes en elimineren van vermijdingsgedragingen.
4. Onderhouden van de verbetering door het organiseren van boostersessies.
5. Counseling met de ouders en de leerkracht.

ADVIEZEN

Schematisch geven we hier algemene adviezen weer, die we ontlenen aan het werk ‘Stotteren en uw kind: vragen en antwoorden’, een vertaling van de Werkgroep Stottertherapie Leuven (1993) van het Amerikaans werk ‘Stuttering and your child: questions and answers.’

Achtereenvolgens schematiseren we:
1. Wat ouders kunnen doen om hun stotterend kind te helpen.
2a. Factoren die een positieve invloed kunnen hebben op het vloeiende spreken van uw kind.
2b. Factoren die een negatieve invloed kunnen hebben op het vloeiende spreken van uw kind.
3. Wat leerkrachten kunnen doen om te helpen.
4. Omstandigheden die het stotteren kunnen verergeren.
5. Suggesties i.v.m. stottervriendelijke conversaties.

Deze lijsten zijn niet volledig, maar kunnen een bruikbare leidraad zijn bij de omgang met stotterende kinderen (en andere stotteraars).

1 Wat ouders kunnen doen om hun stotterend kind te helpen

We geven een opsomming van enkele algemene tips die kunnen worden toegepast, al is dat niet zo gemakkelijk. Het lijkt aangewezen hiervoor advies in te winnen bij een logopedist. Aan de hand van praktische voorbeelden, en op basis van zijn concrete ervaring, kunnen die suggesties toegelicht en aangepast worden aan de specifieke behoeften en mogelijkheden van de ouders of van het stotterend kind zelf.

1. Luister geduldig naar wat uw kind te zeggen heeft. De inhoud blijft belangrijker dan de onvloeiende vorm, of het stotteren.
2. Zorg ervoor dat uw kind volledig kan uitspreken, zonder dat het onderbroken of aangevuld wordt.
3. Blijf het kind gewoon aankijken terwijl het praat.
4. Vul de ideeën van uw kind niet zelf aan wanneer het stottert. Laat het kind zich uitdrukken met zijn eigen woorden.
5. Als uw kind hapert, herhaalt u nadien zelf wat het kind gezegd heeft op een rusige en trage wijze, zonder letterlijk dezelfde woorden te gebruiken.
6. Wacht zowat een seconde voor u reageert op wat uw kind zei. Meestal doet dat het stotteren afnemen.
7. Besteed intens 5 minuten per dag om op een ongedwongen, rustige manier met uw kind te praten.
8. Zoek middelen om aan uw kind te laten merken dat u van hem houdt en hem waardeert, en dat u het prettig vindt om samen bezig te zijn.
9. Geef zelf een rustig spreekvoorbeeld.
10. Zorg ervoor dat de dagelijkse bezigheden rustig verlopen. Dat maakt ook de spreeksituaties automatisch rustiger.
11. Geef uw kind meer kansen om te spreken in de zogenaamde ‘vloeiender’ periodes en overbelast zijn spreken niet in de ‘minder vloeiende’ periodes.

2.a. Factoren die een positieve invloed kunnen hebben op het vloeiende spreken van uw kind

1. Een rustige, niet gejaagde levensstijl.
2. Langzamer praten tegen het kind.
3. Het kind laten uitspreken.
4. Niet in de plaats van het kind spreken en het niet opjagen om vlug zijn zin af te maken.
5. Een ogenblikje wachten alvorens te reageren op de uiting van het kind.
6. De T.V. en de radio tijdens de maaltijden afzetten.
7. Wanneer uw kind begint te praten wanneer u met iets bezig bent dat enige concentratie vraagt, dan hoeft u dat natuurlijk niet onmiddellijk te laten rusten. U zegt dat u het kind niet kunt aankijken, maar dat u wel luistert.

2.b. Factoren die een negatieve invloed kunnen hebben op het vloeiende spreken van uw kind

1. Zelf de zinnen van het kind afmaken.
2. Het kind onder druk zetten om zijn gedachten en zinnen vlug af te maken.
3. Het kind onderbreken tijdens het spreken.
4. Het kind voortdurend aanzetten tot snel en correct praten.
5. Veelvuldig de uitingen van het kind verbeteren en bekritiseren. Zijn spreekwijze of uitspraak proberen te veranderen.
6. Zelf snel blijven spreken tegen uw kind, terwijl u hem aanzet tot langzamer of zachter praten.
7. Een eerder gejaagde levensstijl handhaven (steeds het gevoel geven en handelen alsof alles gisteren al gebeurd had moeten zijn.).
8. Het kind verplichten voor te dragen of luidop te lezen voor vrienden, familie of buren.

3. Wat leerkrachten kunnen doen om te helpen

1. Een contact met de ouders van een stotterend kind voor of bij het begin van het schooljaar helpt u om de zorgen en verwachtingen van de ouders te leren kennen.
2. Indien het kind in behandeling is bij een logopedist of een andere therapeut, neemt u het best contact met hem op. Hij kan u misschien een aantal voorstellen doen en suggesties geven voor de omgang met het kind. U kunt bijvoorbeeld navragen wat de doelstellingen en aandachtspunten zijn.
3. Moedig goede conversatiegewoonten aan in de klas: niemand onderbreekt een ander, maakt iemands uitingen af, vult aan of spreekt voor een ander.
4. Een stotterend kind behoeft geen voorkeursbehandeling omdat het stottert. Probeer dat kind zoveel mogelijk te behandelen zoals elk ander kind, met uitzondering van de speciale aandacht en ondersteuning voor verbale prestaties (voordragen, hardop lezen …).
5. Van kinderen die stotteren, wordt echter ook verwacht dat ze alle klassikale, mondelinge opdrachten uitvoeren – met de nodige assistentie om hierin te slagen.
6. Het is soms aan te raden de mondelinge, klassikale opdrachten in te oefenen. Moedig hem daartoe aan.
7. Geef stotterende kinderen voldoende tijd om te praten; ze hebben vaak veel moeite om te beginnen met spreken.
8. Uw impact op het kind is vaak veel groter dan u zou vermoeden. Al deze tips, samen met andere kleine dingen, kunnen van onschatbare waarde zijn zowel voor het kind als voor zijn ouders.

4. Omstandigheden die het stotteren kunnen verergeren

Communicatieve stress: de wijze waarop ouders en anderen met het kind praten

1. Hoge spreeksnelheid en snel wisselende conversatie.
2. Het kind onderbreken.
3. Raden wat het kind wil gaan zeggen.
4. Onmiddellijk beginnen te spreken wanneer het kind even pauzeert of stopt met spreken.
5. Het kind overstelpen met veel vragen.
6. Indien er een zekere competitie bestaat om tijdens een conversatie aan het woord te komen.

Interpersoonlijke stress: de wijze waarop familieleden met elkaar omgaan.

1. Onrealistische eisen stellen aan het kind.
2. Conflicten in verband met gehoorzaamheid en discipline (bv. beleefdheidseisen).
3. Inconsequente en onregelmatige familiale gewoonten.
4. Gehaast familiaal leven.
5. Ervaringen waarbij het kind ‘op zijn plaats gezet wordt’, en waardoor het kind zich minderwaardig of zelfs vernederd voelt.

Belangrijke opmerking:
Het gaat hier niet over oorzaken van stotteren! Andere kinderen (bv. uit hetzelfde gezin) die in soortgelijke situaties terechtkomen, zullen geen spraakproblemen ontwikkelen. De specifieke aard van het stotterend kind vereist echter dat er specifiek wordt opgetreden. Voor een stotterend kind is het essentieel dat situaties die het stotteren doen toenemen, herkend worden om een zo optimaal mogelijke spraakontwikkeling mogelijk te maken.

TOT SLOT

De laatste jaren komt ten aanzien van stotteren het accent meer te liggen op vroege interventies om de ontwikkeling van stotterproblemen te voorkomen (secundaire preventie). Een zorgvuldige vroege detectie met diagnose ligt hiervoor aan de basis. Die worden vaak bemoeilijkt door het variabele, intermittente en dikwijls in zijn verloop onvoorspelbare karakter van het jonge stotteren. Adviezen als ‘afwachten’ en ‘handen af’ zijn in veel gevallen echter niet verantwoord.